• Meenteweg 2
  • 9626 BH Schildwolde

wormen bij het rund

Maagdarmwormen

Van de bij het rund voorkomende maagdarmwormen zijn 2 soorten veruit het belangrijkst, nl de lebmaagworm Ostertagia ostertagi en de dunne darmworm Coopera ochophora. Bij runderbedrijven die ook schapen houden moet  tevens rekening gehouden worden met de dunne darmworm Nematodirus battus.

De levenscycli en epidemiologie van de verschillende maagdarmwormen lijken erg op elkaar, dus kan men dit  zien als maagdarmwormziekte.

Hieronder volgt de beschrijving van de cyclus van de maagdarmwormen. De L staat voor larve en het nummer voor het stadium waarin de larve zich bevindt. Alleen de larve in het 3de stadium kan een dier besmetten. L1 komt uit het ei en ontwikkelt zich tot L2  en dan tot L3 en dan is de larve dus pas een gevaar voor besmetting. L5 staat voor het volwassen stadium.

De afkorsting PPP staat voor prepatentperiode en geeft de tijdsduur aan van het moment van besmettting van het rund, totdat ze eieren uit gaat scheiden met de mest

Cyclus

  1. L3 met grazen opgenomen
  2. L3>L4>L5 in ongeveer 3 weken > eieren geproduceerd
  3. Eieren op gras met mest, PPP = 3 weken
  4. Uit ei L1>L2>L3, dit proces gaat trager naarmate het kouder is(voor en najaar) en in de winter staat dit helemaal stil
  5. L3 migreert vanuit mest naar omliggend gras, dit kan alleen in dun laagje vocht. In normale nederlandse zomers duurt de ontwikkeling tot L3 + verplaatsing naar het gras ten minste 4 weken. Indien het heel droog is blijft L3 in mest liggen wachten tot het weer gaat regenen.
  6. L3 kan in de zomer enkele maanden op land overleven, maar naarmate het kouder is, is overlevingsduur langer. In het voorjaar worden de larven aktiever, teren dan in op reserves, indien geen dieren op het land dan in voorjaar massale sterfte L3. Er blijven echter altijd nog wel voldoende over voor infectie. Het is wel zo, dat hoe later de dieren naar buiten gaan, hoe lager de infectiedruk is. Wanneer eerst gemaaid wordt, dan kan men het grasland in principe als schoon beschouwen.

Ziektebeeld maagdarmwormziekte

  • wordt gezien in 2de helft weideseizoen: augustus tot late najaar (afh van wanneer dieren naar buiten zijn gegaan)
  • op z'n vroegst vanaf 2 maanden na naar buiten gaan
  • begint met groeivertraging, indien besmettingsdruk oploopt dan echt duidelijke symptomen, dan ook onherstelbare schade!
  • ruig in het haar, 50 kg te licht (15-20% ondergewicht), ingevallen, lusteloos, diarree, niet eten

Diagnose

Klinische verschijnselen, meerder dieren uit koppel ziek, beweidingsgeschiedenis, tijd van het jaar, leeftijd.

Pepsinogeengehaltebepaling in het bloed kan infectie met Ostertagia aantonen, zit in lebmaag, niet altijd diarree. Van de aangetaste koppel 5 dieren bloedonderzoek laten doen.

Geen mestonderzoek (dan worden aantal maagdarmwormeieren per gram mest bepaald) dit zegt echter niets over de ernst van de infectie.

Bij sterfte kan dmv sectie de maagdarmworminfectie worden aangetoond, duidelijk te zien aan knobbeltjes in de wand van het lebmaagslijmvlies.

 Weiland

Vanaf 3 weken na het naar buiten gaan kunnen er eieren op het land terecht komen, deze aanvangsbesmetting is echter vrijwel altijd laag, dus geen ziekte.

Na 4 weken is inmiddels ontwikkelde L3 uit mest naar omliggende gras gemigreerd en kunnen de dieren zich herbesmetten, we zitten nu inmiddels minimaal 7 weken na het naar buiten gaan, nu wordt het weiland gevaarlijk, dit zal rond begin juli zijn.

Hoe later naar buiten, hoe lager de besmetting van het weiland (afsterven L3).

Eerst maaien zorgt voor nog lagere besmetting.

Kalverweide van vorig jaar zijn altijd zwaarder besmet dan pinkenweides. Koeienweides zijn licht besmet.

 Voorkomen van maagdarmwormziekte

Omdat een dier met klinische symptomen van maagdarmwormziekte onherstelbare schade in het maagdarmkanaal heeft opgelopen is het heel belangrijk om ziekte te voorkomen. Dit is niet hetzelfde als besmetting voorkomen. Runderen kunnen heel goed weerstand opbouwen tegen wormen, daarvoor is het noodzakelijk dat ze een lichte besmetting opdoen in hun jeugd. Het is de kunst om te zorgen dat de besmetting zodanig is dat de dieren er niet ziek van worden, maar dat het immuunapparaat wel voldoende geprikkeld wordt, zodat ze als volwassen rund in principe geen maagdarmwormziekte meer zullenl oplopen en ook geen ontwormingmiddelen meer nodig hebben.

Omdat de beweiding en leeftijd van het naarbuiten gaan en de eventueel aanvullende maatregelen per bedrijf verschillen is het moeilijk om een algemene strategie aan te bevelen. Hiervoor zijn de zogenaamde wormsleutels ontwikkeld, waarmee per bedrijf een advies kan worden gegeven hoe ziekte tegen de gaan en optimale immuniteit te bewerkstelligen. Het is verstandig om deze samen met uw dierenarts door te nemen. Tevens moet rekening gehouden worden met longwormen en eventueel leverbotinfecties.

 Longwormen

Hieronder volgt de cyclus van de longworm. 

  1. Tijdens grazen wordt L3-larve opgenomen
  2. Na 8-9 dagen zijn larven aangekomen in de longen. In 2 weken tijd groeien  ze daar uit tot volwassen wormen (L5) en produceren ze eieren met een klein larfje erin. Deze komen al gedeeltelijk uit in de longen, worden samen met de eieren opgehoest en doorgeslikt.
  3.  In de darm komen alle eieren uit, zodat er met de mest alleen maar larven op het land komen. De prepatentperiode (=periode opname L3 -larven tot uitscheiden L1 larven met de mest) is ruim 3 weken.
  4. In een week tijd ontwikkelen de L1-larven zich tot de infectieuze L3-larven. Dit is veel minder weersafhankelijk dan de ontwikkeling van maagdarmwormlarven.
  5. L3-larve is niet erg actief en gebruikt  voor de verspreiding over het land de schimmel Pilobolus die altijd wel op mest groeit.
  6. L3-larve kan niet zo lang overleven; in de zomer is na 2 weken al bijna 90% dood en na 6 weken worden eigenlijk geen levende larven meer aangetroffen. Overwinteren is zeldzaam, de worm blijft in leven in dragers. Dit zijn volwassen koeien die steeds kleine hoeveelheden larven uitscheiden op het land. De meeste longworminfecties bij jongvee beginnen dan ook vaak doordat deze dragers op kalver- of pinkenland hebben gelopen.

Ziektebeeld

De verschijnselen die bij longwormziekte gezien worden zijn hoesten, kortademigheid tot ernstige benauwdheid, haren overeind, vermageren en sterfte!

 Behandeling

De ziekte is goed te behandelen met de gangbare wormmiddelen, echter er zijn maar 2 geregistreerd voor behandeling met melkgevende dieren.

 Preventie

Net als bij maagdarmwormen is weerstand opbouwen tegen longwormen erg belangrijk. Normaal gesproken vindt deze opbouw plaats bij het jongvee, zodat vaarzen al weerstand hebben als ze afgekalfd zijn en met de koppel mee naar buiten gaan.

We zien tegenwoordig steeds vaker longworminfecties bij  vaarzen, omdat ze eerder nooit buiten zijn geweest en dus nog geen weerstand hebben tijdens hun eerste weideseizoen. Dit is een lastig probleem, omdat het de dieren er nog al onder te leiden hebben en  omdat er maar een paar middelen geregistreerd zijn voor behandeling van melkgevende dieren. Dit zijn de pour-on middelen Cydectin en Eprinex. Injecteerbare middelen zijn niet toegestaan bij melkgevende dieren en kunnen dus uitsluitend in de droogstand worden toegepast.

 

Vaccinatie tegen longworm is mogelijk voor een eerste weertstandopbouw en moet 2 x worden gedaan met 4 weken tussentijd. De laatste enting vindt plaats 2 weken voor het naar buiten gaan.

De weerstand tegen longwormen onderhoudt zich door voortdurende kleine herinfecties. Ook na vaccinatie tegen longworm is het belangrijk dat de dieren zich binnen een half jaar weer met kleine hoeveelheden larven infecteren. De opbouw van de weerstand tegen longwormen is moeilijk te managen, maar met buitenlopend jongvee wel iets eenvoudiger dan met vaarzen die voor het eerst naar buiten gaan.

  Normaal gesproken treedt longwormziekte op in de tweede helft van het weideseizoen, tenzijn de dieren zich meteen bij het naar buiten gaan al flink infecteren. Dan kan  reeds na 1 maand al ziekte optreden.

Wanneer niet gewerkt wordt met vaccinatie is het bij jongvee ook mogelijk om door goede controle  bij de eerste hoestverschijnselen de dieren te behandelen. Er moet gewacht worden tot de eerste dieren hoesten, omdat bij te vroeg behandelen er geen weerstand wordt opgebouwd. De larven moeten minstens stadium 4 bereiken om weerstand te kunnen induceren.

 Mestonderzoek

Op onze praktijk kunnen wij mestonderzoek doen naar longwormlarven. Dit zou kunnen vanaf ruim 3 weken nadat de dieren vermoedelijk besmet zijn geraakt (prepatent periode is 3 weken). Wanneer u mest verzamelt is het belangrijk dat de mest zo vers mogelijk is en niet in contact is geweest met de grond. Pak dus alleen het bovenste deel van de mest. Per koppel van 3-5 dieren inleveren. 

Het kan per bedrijf erg verschillen hoe zowel de maagdarmwormen al de longwormen aan te pakken en is heel erg afhankelijk van hoe en wanneer en waar er geweid wordt. Wij kunnen adviseren over hoe dit aan te pakken en wanneer en waarmee eventueel te behandelen.